Regering trekt omstreden wetsvoorstel voor grootoudersrechten in
De regering heeft besloten het wetsvoorstel voor makkelijker omgangsrecht voor grootouders in te trekken. Dit betekent dat grootouders bij een scheiding nog steeds moeten aantonen dat er een nauwe band met hun kleinkinderen is, voordat een rechter hun verzoek behandelt. Het voorstel riep veel vragen op over het belang van het kind en mogelijke overbelasting van de rechtbanken.
| Onderwerp | Details |
|---|---|
| Wetsvoorstel | Drempelverlaging omgang grootouders (36.364) |
| Ingediend door | Minister Weerwind (Rechtsbescherming, kabinet-Rutte IV) |
| Aangenomen door Tweede Kamer | 25 juni 2024 |
| Debat Eerste Kamer | 10 maart 2026 (behandeling geschorst) |
| Intrekking aangekondigd | 20 maart 2026 door premier Jetten |
| Huidige regel | Grootouders moeten nauwe persoonlijke betrekking aantonen bij rechter |
| Voorgestelde wijziging | Nauwe persoonlijke betrekking als vanzelfsprekend beschouwen |
| Kritiek Eerste Kamer | Belang kind ondergeschikt, mogelijke toename omgangszaken |
De regering, via het ministerie van Rechtsbescherming, is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van wetgeving die de rechten en plichten van burgers regelt, waaronder familierechtelijke kwesties zoals omgangsrecht. De Eerste Kamer heeft een controlerende rol en beoordeelt of wetsvoorstellen voldoen aan juridische en maatschappelijke normen.
Blij met Openrijk?
Serverkosten en ontwikkeling betalen we zelf. Een donatie wordt enorm gewaardeerd.
Lees hieronder het originele artikel
Wet drempelverlaging omgang grootouders wordt ingetrokken
De regering heeft aangekondigd dat het wetsvoorstel Drempelverlaging omgang grootouders wordt ingetrokken. Dat heeft premier Jetten de Eerste Kamer op 20 maart per brief laten weten. De Eerste Kamer had op 10 maart de plenaire behandeling van het voorstel geschorst.
Procedure
Het wetsvoorstel was op 17 mei 2023 ingediend door de minister Weerwind voor Rechtsbescherming in het kabinet-Rutte IV. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 25 juni 2024 aan. De Eerste Kamer debatteerde dinsdag 10 maart over een wetsvoorstel om de drempel te verlagen voor grootouders om bij de rechter omgang met hun kleinkinderen te kunnen vragen. Na de beantwoording van de vragen van de Kamer in de eerste termijn, besloot de senaat om het wetsvoorstel aan te houden op verzoek van de staatssecretaris. Met de aangekondigde intrekking komt een einde aan de behandeling van het wetsvoorstel.
Debat Eerste Kamer
Momenteel moeten grootouders na een scheiding van de ouders bij de rechter kunnen aantonen of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met hun kleinkind(eren) voordat het verzoek voor omgang in behandeling kan worden genomen. Met dit wetsvoorstel wilde het kabinet hier verandering in brengen door een nauwe persoonlijke betrekking als vanzelfsprekend te zien.
Het is een groot goed als grootouders een rol spelen in het leven van kinderen, zeiden de Eerste Kamerleden tijdens het debat met staatssecretaris Van Bruggen op 10 maart. Desondanks riep dit wetsvoorstel veel vragen bij hen op. Zo wezen verschillende woordvoerders erop dat dit wetsvoorstel het belang van het kind ondergeschikt leek te maken aan de belangen van de grootouders. De senatoren vonden dat onwenselijk. Ook vroegen zij of het wetsvoorstel wel nodig is ('welk probleem lost dit wetsvoorstel op?') en of het niet voor een onnodige toename van het aantal omgangszaken zal zorgen. De Kamer vroeg of dit de werkdruk bij de rechtbank zal vergroten, omdat deze zaken vragen om gespecialiseerde kinderrechters.
In het wetsvoorstel werd gesproken van een nauwe persoonlijke betrekking van juridische grootouders. Dat onderscheid met anderen, zoals sociale grootouders, bijvoorbeeld in het geval van meeroudergezinnen, maar ook ooms en tantes, stuitte op bezwaren bij een deel van de Kamer. Voorstanders van de wet zeiden juist te geloven in de essentiële rol van de grootouders in het leven van de kleinkinderen. Alleen een onafhankelijke rechter kon volgens hen oordelen dat zij weggehouden moeten worden van de kinderen.
Nadat staatssecretaris Van Bruggen de vragen van de Kamer had beantwoord, vroeg zij de Kamer het wetsvoorstel aan te houden. 'Om,' zo zei zij, 'me te beraden en in de minsterraad inhoudelijk te bespreken of we het nog verder willen brengen'. Een ruime meerderheid van de Kamer stemde in met het aanhouden van het wetsvoorstel. De staatssecretaris zegde toe binnen een maand een brief te sturen met daarin voorstellen voor het vervolg van dit onderwerp en de door de Tweede Kamer aangenomen motie over het verlagen van de drempel voor grootouders.
