De Europese Commissie is een diepgaand onderzoek gestart om te beoordelen of een arbitrale uitspraak, waarbij Bulgarije wordt opgedragen compensatie te betalen aan ACF Renewable Energy Limited voor wijzigingen in een ondersteuningsmaatregel voor hernieuwbare elektriciteit, in overeenstemming is met de EU-regels voor staatssteun.

Het onderzoek van de Commissie

In 2011 stelde Bulgarije een regeling in om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te ondersteunen. In 2013, 2014 en 2015 wijzigde Bulgarije deze regeling. In maart 2016 werd de toen geldende regeling aan de Commissie gemeld, die deze op 4 augustus 2016 goedkeurde onder de EU-regels voor staatssteun (https://competition-cases.ec.europa.eu/cases/SA.44840).

ACF is een bedrijf gevestigd in Malta. In 2012 investeerde ACF in de Bulgaarse sector voor hernieuwbare energie door een zonne-fotovoltaïsche installatie te kopen die profiteerde van de in 2011 ingevoerde ondersteuningsregeling. Na de wijzigingen die Bulgarije in 2013 en 2014 doorvoerde, bleef ACF ondersteuning ontvangen onder de gewijzigde regeling en startte arbitrageprocedures. Het bedrijf eiste compensatie voor de ondersteuning die het op basis van de oorspronkelijke regeling zou hebben ontvangen, als deze niet was gewijzigd.

Een arbitrale uitspraak van 5 januari 2024 stelde vast dat Bulgarije het Energiehandvestverdrag (ECT) heeft geschonden en beval Bulgarije om ACF te compenseren voor de vermeende verliezen als gevolg van de wijzigingen in de Bulgaarse ondersteuningsregeling. De compensatie bedraagt €61,04 miljoen, plus rente. Bulgarije heeft deze uitspraak gemeld aan de Commissie onder de staatssteunregels, maar heeft tot op heden geen compensatie betaald.

Op dit moment is de voorlopige mening van de Commissie dat de arbitrale uitspraak en de uitvoering ervan staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wat onverenigbaar is met de interne markt. De Commissie zal de maatregel en de compatibiliteit ervan met de interne markt verder onderzoeken, met name een mogelijke schending van de EU-verdragen door de steunmaatregel.

Staatssteun is verboden tenzij deze door de Commissie wordt goedgekeurd als verenigbaar met de werking van de interne markt. Een maatregel die andere bepalingen van het EU-recht schendt, kan niet worden verklaard als verenigbaar onder de staatssteunregels.

Het geschil dat leidde tot de arbitrale uitspraak was een intra-EU geschil. Daarom zal de Commissie verder beoordelen of de uitspraak en de uitvoering ervan in strijd kunnen zijn met artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 267 en 344 VWEU, met betrekking tot de uiteindelijke jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), en de algemene beginselen van autonomie van de EU-rechtsorde.

De opening van een diepgaand onderzoek geeft Bulgarije en belanghebbende derden de mogelijkheid om opmerkingen in te dienen. Dit doet geen afbreuk aan de uitkomst van het onderzoek.

Achtergrond

De jurisprudentie van het HvJ-EU stelt dat intra-EU investeerder-staat arbitrage op basis van bilaterale investeringsverdragen in strijd is met het EU-recht (2018 Achmea-arrest C-284/16). De communicatie van de Commissie van juli 2018 over de bescherming van investeringen (https://ec.europa.eu/info/publications/180719-communication-capital-movements_en) legt uit dat dit ook geldt voor de investeerder-staat arbitrageclausule in het ECT. In 2019 ondertekenden 22 EU-lidstaten een verklaring over de gevolgen van het Achmea-arrest en de toepassing ervan op het ECT (https://finance.ec.europa.eu/system/files/2019-01/190117-bilateral-investment-treaties_en.pdf).

In 2021 oordeelde het HvJ-EU in het Komstroy-arrest dat het ECT integraal deel uitmaakt van het EU-recht en dat de arbitrageclausule van het ECT niet intra-EU kan worden toegepast. In 2024 ondertekenden EU-lidstaten een verklaring over de juridische gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie in Komstroy en een gemeenschappelijk begrip over de niet-toepasbaarheid van het ECT als basis voor intra-EU arbitrageprocedures (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:42024X2121). Dit werd gevolgd door het vertrek van de EU uit het ECT, met ingang van 27 juni 2025.

Betrouwbare en transparante bepalingen ter ondersteuning van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zijn belangrijk om het vertrouwen van investeerders te waarborgen en investeringen mogelijk te maken die nodig zijn voor de Clean Industrial Deal en om de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie te bereiken. Het feit dat het EU-recht intra-EU investeringsarbitrage onder bilaterale investeringsverdragen of het ECT uitsluit, betekent niet dat investeerders geen investeringsbescherming genieten binnen de EU. Acties van individuele investeerders die nationale maatregelen willen vernietigen of financiële compensatie eisen, vallen onder de bevoegdheid van nationale rechtbanken. Investeerders uit de EU genieten de bescherming die het EU-recht biedt.

Als een investeerder van mening is dat zijn investering onterecht wordt bedreigd door een staatssteunbesluit van de Commissie, kan hij het besluit rechtstreeks aanvechten bij het Gerecht. Ten slotte voorziet de richtlijn hernieuwbare energie (2018/2001) in een verplichting voor lidstaten om ervoor te zorgen dat de steun aan projecten voor hernieuwbare energie niet wordt herzien op een manier die de aan bedrijven verleende rechten negatief beïnvloedt en de economische levensvatbaarheid van projecten die al steun genieten ondermijnt. Een dergelijke bepaling bestond in 2013 niet.

Voor meer informatie

De niet-vertrouwelijke versie van de beslissing zal beschikbaar worden gesteld onder het zaaknummer SA.114457 in het register voor staatssteun op de concurrentiewebsite van de Commissie (https://competition-policy.ec.europa.eu/index_en) zodra eventuele vertrouwelijkheidskwesties zijn opgelost. Nieuwe publicaties van staatssteunbesluiten op internet en in het Publicatieblad worden vermeld in de Competition Weekly e-News.