Verbod op zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging
De regering wil het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar wijzigen om buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) die in uniform of bedrijfskleding lopen, te verbieden om zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging te dragen als zij contact hebben met het publiek. Het dragen van zulke uitingen doet volgens de regering afbreuk aan de neutraliteit van boa’s.
Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
Het verbod beperkt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dat is een grondrecht dat onder meer beschermd wordt door artikel 6 van de Grondwet. Het naleven van godsdienstige of levensbeschouwelijke geboden voor kleding, zoals voorschriften om een hoofddoek of een keppeltje te dragen, valt onder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dit grondrecht geldt ook in de arbeidsverhouding tussen de werkgever van de boa en de boa als werknemer.
Beperkingen
Het is mogelijk om beperkingen te stellen aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dat moet dan wel gebeuren in of in elk geval op basis van een wet in formele zin. Dit waarborgt dat het parlement, dus zowel de Eerste als de Tweede Kamer, hiermee instemt. Bij het maken van zulke keuzes moet de wetgever rekening houden met de eisen die worden gesteld aan de beperking van grondrechten. Zo moet er een legitiem doel worden nagestreefd en moet de beperking noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Dit vraagt van de wetgever dat hij onder meer een grondige probleemanalyse uitvoert, minder vergaande alternatieven overweegt en een gedegen belangenafweging maakt.
Conclusie
Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is een zogenoemde algemene maatregel van bestuur. Als de regering boa’s wil verbieden om zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging te dragen als zij contact hebben met het publiek, dan moet dat gebeuren in of in elk geval op basis van een voldoende specifieke wet in formele zin. Een dergelijke grondslag ontbreekt. Daarom adviseert de Afdeling advisering van de Raad van State de regering om het besluit niet te nemen.
