De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij haar oordeel betrokken dat het eerdere boetebesluit en het besluit de lening terug te vorderen “onmiskenbaar onjuist” zijn. Dat vindt zijn oorsprong in het arrest van het Hof van Justitie in Luxemburg van februari 2025 en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van juli 2025. Daarin werd geoordeeld dat een inburgeringsverplichting in beginsel verenigbaar is met de Europese Kwalificatierichtlijn, maar dat het niet op tijd met succes afleggen van het inburgeringsexamen niet stelselmatig mag worden bestraft met een boete. Omdat de verplichte integratiemaatregelen voor statushouders in beginsel kosteloos moeten zijn, is ook de terugbetalingsverplichting van de overheidslening in strijd met de Europese Kwalificatierichtlijn.

Omdat het boetebesluit onmiskenbaar onjuist is, is het evident onredelijk dat de staatssecretaris niet terugkomt op dit besluit. Bij de terugbetalingsverplichting van de lening speelt mee dat dit besluit door de uitspraak van juli 2025 niet uitvoerbaar is. De Afdeling bestuursrechtspraak ziet niet in welk belang wordt gediend door dit onmiskenbaar onjuiste besluit in stand te houden. De terugbetalingsverplichting zou dan als het ware wel dreigend boven het hoofd van de statushouder blijven hangen, terwijl de staatssecretaris die verplichting nooit zal kunnen verzilveren. Dat is een feitelijk en juridisch hoogst onwenselijke situatie.

De Afdeling bestuursrechtspraak pakt in de uitspraak van vandaag door en ‘voorziet zelf in de zaak’. Dit betekent dat de boete die de staatssecretaris heeft opgelegd, vervalt en dat de statushouder niet verplicht is de lening die zij heeft afgesloten, terug te betalen. Wat dit betekent voor andere zaken waarin de staatssecretaris een asielstatushouder een boete heeft opgelegd en/of heeft bepaald dat de asielstatushouder de lening volledig moet terugbetalen, is in de eerste plaats aan de staatssecretaris.