De grootste daling van de energierekening komt door een lager verwacht verbruik, met name van gas. Ook de lagere variabele leveringstarieven van zowel gas als elektriciteit zorgen voor een lagere rekening. Daar tegenover staan, net als in 2025, prijsstijgingen van vastrecht en transport. Ook de energiebelasting op gas is hoger dan in 2025.
Het CBS houdt in de berekening geen rekening met mogelijke kosten die huishoudens betalen voor het terugleveren van zelf opgewekte elektriciteit. Huishoudens die elektriciteit aan het net leveren moeten daarvoor sinds eind 2023 vaak betalen.
Sterkere daling bij hoger verbruik
De energierekening wordt voor een groot deel bepaald door de hoogte van het verbruik. Dat verbruik verschilt sterk per huishouden door bijvoorbeeld het aantal mensen, door de isolatie van de woning of het stookgedrag.
Daarnaast verschillen ook de vaste kosten. Zo hebben volledig elektrisch verwarmde woningen geen vaste kosten voor aardgas. Woningen met stadsverwarming hebben relatief hoge vaste kosten, maar hoeven in tegenstelling tot andere woningen geen eigen verwarmingsinstallatie aan te schaffen. Die kosten zijn van belang voor het totale kostenplaatje, maar komen niet terug in de jaarlijkse energierekening.
Met het prijspeil van januari 2026 betaalt een meerpersoonshuishouden in een oude, grote vrijstaande aardgasgestookte woning het meest: gemiddeld 3 410 euro per jaar. Woningen die hoofdzakelijk elektrisch verwarmd worden hebben met gemiddeld 1 020 euro per jaar de laagste energierekening.
De gemiddelde energierekening is voor alle typen woningen gedaald ten opzichte van 2025. Door de combinatie van hogere vaste kosten en lagere variabele kosten hebben huishoudens met een hoog verbruik relatief het meeste voordeel. Onder de aardgasgestookte woningen gaat de groep met het laagste verbruik er gemiddeld 1,3 procent op vooruit, de groep met het hoogste verbruik gemiddeld 3,7 procent.
